foto-links

raamdom-gr

Jan Nieuwenhuis: ‘De dood bestaat niet’

Dit interview van Karin Kasdorp met Jan Nieuwenhuis verscheen eerder in de Dominicuskrant, maandblad van de Dominicus Amsterdam.

Pax et Bonum staat er op het bordje dat naast de kapstok hangt. ‘Wees welkom in mijn kloostercel,’ begroet Jan me hartelijk als ik zijn flat binnenkom. Hij laat me zijn behuizing zien: twee ruime kamers, een open keuken, badkamer en een kleine serre met uitzicht op groen in Amsterdam Buitenveldert. Smetana’s Moldau staat op. Aan de wand hangen allemaal iconen. Van Johannes uiteraard.
Jan loopt achter zijn rollator naar de keuken en komt met koffie terug. Ondanks zijn heup hoeft hij geen hulp. Wel zal hij altijd met de rollator moeten blijven lopen. Jan (1924): ‘Psalm 90 zegt ‘Het leven van een mens is zeventig jaar, als hij sterk is tachtig. Het meeste is kommer en kwel.’ Ik zal dat gaan bestrijden.’
Een gesprek over zijn leven, ouderdom, en over tijd en dood, die niet bestaan.

Na de derde heupoperatie, die heel goed was verlopen, waren de chirurgen zeer tevreden. ‘Er is een foto van gemaakt na de operatie, en die vond ik zo mooi, ik had ‘m wel boven mijn bed willen hangen. Na een week mocht ik weer naar huis.’
Maar toen in juli jl. zijn heup uit de kom schoot toen hij in een auto stapte, was het weer volkomen mis. Jan: ‘Dit wens je niemand toe. Ik heb vreselijk veel pijn gehad. Ze moesten enorm trekken om die heup weer in de kom te krijgen, de spieren zijn helemaal ontregeld, bijna gescheurd. Het is heel pijnlijk. Maar er is niets aan te doen, behalve oefenen.’ Het kan nog maanden duren. Hij krijgt nu twee keer per week fysiotherapie en moet oefeningen doen, als hij zit of uitrust. Twee keer per dag komt de thuiszorg. ‘Er is nl. één ding wat je niet mag doen als je je heup gebroken hebt: je sokken aantrekken.’

‘Maar ik ben alles bij elkaar zeer gelukkig, hoor. Het ziet ernaar uit dat het eind van het jaar weer wat beter kan gaan.’ Vorige week (ik spreek hem in september 2012) heeft hij de dag herdacht dat hij zeventig jaar geleden de professie heeft gedaan om in de Orde van de Dominicanen aangenomen te worden. Zijn levensweg binnen de orde begon met het noviciaat, de proeftijd van een jaar. ‘Dat was het jaar waarin ik de grootst mogelijke lol van mijn leven heb gehad. Ik was de jongste van mijn klas van Ien jongens en we kregen allemaal een taak. Ik kreeg de wc’s te doen. Ik had geen idee.’

Na het noviciaat deed je de kleine gelofte, waarbij je je aan de orde bond, maar de orde niet aan jou. Toen ging hij naar Zwolle waar hij de driejarige opleiding Wijsbegeerte heeft gedaan. Jan is achteraf ontzettend dankbaar dat hij dat heeft mogen meemaken. Hij heeft er leren denken. ‘Want denken is heel moeilijk, dat hoef ik je niet te vertellen. De grote Griekse denkers, Aristoteles, Plato, vakken als logica en natuurfilosofie, we hebben het allemaal bestudeerd. Wat heeft dat met het priesterschap te maken? Je hele denken draait om dat soort begrippen: ruimte, logica. De meeste mensen denken dat ze logisch denken, maar doen dat helemaal niet. Wat is ruimte? Je neemt ruimte in. Tijd? Tijd bestaat niet. Wat wel bestaat is: duur. Maar dat is iets heel anders. Ik ga voort van iets naar iets. Maar tijd is een denkmaaksel. Ik denk dat ze gelijk hebben.’ Over ouderdom gesproken. ‘Ook het woordje oud is een denkmaaksel. Het duren gaat gewoon door. Oud ben je eigenlijk niet. Je duurt nogal.’ Hij lacht. ‘De duur hak je in stukken en dat ga je meten. Het gaat om de beleving, alles gaat door. Panta rhei, ja.’ Hij heeft psychisch niet het gevoel dat hij oud is. Wat hij wel beleeft is ‘dat die machine krakkemikkig wordt, het verslijt. Het voordeel is, dat als je wat verder mag komen met je duur, dat je bepaalde dingen ook echt zeker weet, vind ik.’


Wat is voor jou een zekerheid?

‘Dat de dood niet bestaat. Als je de verhalen van Jezus gaat lezen: daar komt het woordje dood niet in voor. Er zijn een aantal cruciale verhalen van Jezus waarin de dood voorkomt: het dochtertje van Jaïrus, de hofbeambte van Kafarnaüm, Lazarus. Het grote verhaal van Johannes: Ik hoef je natuurlijk niet te vertellen dat dat superieur is aan de andere!
Maar Jezus neemt het woordje dood nooit in zijn mond. Hij zegt tegen Jaïrus: ze slaapt. De hofbeambte van Kafarnaüm loopt het hele eind naar hem toe, maar Jezus blijft gewoon zitten. Ga maar naar huis, je knecht is beter. En Lazarus: Hoe Johannes daar over vertelt, vind ik adembenemend. Dat verhaal is grandioos. Drie dagen is Lazarus overleden. Maar Jezus zegt ook hier: hij slaapt. Hij weigert ze dood te noemen, als je die verhalen goed leest. De realiteit van wat wij dood noemen, weigert hij te accepteren. Ook in zijn eigen einde komt het niet voor. Jezus geeft zijn leven, deelt het uit. Die denkwereld is door de Grieken verwoord: de dood bestaat niet.’

Dus als je mij vraagt: er zal een dag aanbreken, dat dit lijf zegt: daag… Ik zou zeggen: drink allemaal een lekker glaasje…, maar ik ben niet dood. Een mens is veel meer dan die machine, dan dit.’ Wrijft over zijn benen. ‘Dus: oud worden vind ik geen pijnlijke zaak. Ik wou wel dat ik bij de Hema een nieuw been kon kopen, het liefst met een ritssluiting. Naarmate je verder komt in je duur, word je geconfronteerd met het idee dat de machine eens een keer op gaat houden.
Ik hoop oprecht dat wanneer het echt komt, heel veel mensen in de Dominicus feest gaan vieren en misschien doe ik dan ook wel een beetje mee. Ik geloof ook niet dat ik er bang voor ben. Zou niet weten waar ik bang voor zou moeten zijn. Ik heb ook geen wensen wat er moet gebeuren als ik in die kist zit. De mensen die komen, moeten iets, vieren of…. Ze moeten het niet over mij hebben, tenzij het voor hen zelf is, iets willen vormgeven aan waar ze zelf behoefte aan hebben.’

Jan zou het voor de Dominicus een goed idee vinden als er een serie zou komen over de verhalen van Jezus en de dood. De veertigdagentijd zou zich daar goed voor lenen. Al die verhalen achter elkaar gelezen valt op dat Jezus het woordje dood niet in de mond neemt. ‘Er is alleen een overblijfsel. Je zou een schitterende serie kunnen maken over verhalen uit de schrift over de dood. Job, Elia, Jaïrus… We zijn ook een gemeenschap waar de ouderdom toeneemt. Ik denk dat mensen daar enorme behoefte aan hebben, want we zitten er allemaal mee. Het zijn allemaal verhalen die prachtig zijn. Als ze daar nu eens in duiken, om dat te achterhalen. Het is verschrikkelijk belangrijk.’

Hij maakt zich er een beetje zorgen over dat er wat te weinig theologisch wordt gepreekt. ‘Ik vind dat het team nu gevaar loopt daar een beetje los van te raken. De huidige trend gaat te veel uit naar wat mensen willen. Ik vind het nu te makkelijk. Je hoort tegenwoordig wel ‘ik neem de bijbel op de koop toe’, maar waar kom je dan eigenlijk voor? Dat is niet alleen mijn uitgangspunt, maar ook het visioen. Het is belangrijk de diepte in te gaan. Door leerhuizen te geven, meer bijbels te preken. Ik bedoel dit niet als verwijt, maar het team draait daar een beetje omheen. Maar ik wil ze niet afvallen. Ik zou het enorm toejuichen om in de verhalen over Jezus en de dood te duiken. Ik kom toch om iets te horen waar ik mee verder kan en dat kan niet anders dan dat je terugkomt bij het verhaal. Het is een groot verhaal. De visie van de evangelisten: dat dood geen dood is. Ik houd niet op. De fantasie van hoe dan, vind ik reuze interessant.’

Hoe kijk je dan aan tegen het ‘hiernamaals’?
‘Hiernamaals is een verkeerd woord. Schillebeeckx zei: het is het hiernumaals. Dat we dit nu beleven: Ik ben het die nu hier zit te leuteren, en dat wordt ergens opgeslagen in dat ding (die computer) van jou. Wat we nu samen bespreken, wordt ergens geconsolideerd, dat is leven. Dat ik nu besta, dat ik ben. Dat ik morgen leef, betekent ook dat ik ben.
De schrift drukt dat uit in het prachtige beeld van de eeuwigheid, die is al bezig en blijft maar bezig. Het meeste van die mens, dat zweeft nu naar jou toe, en krijg ik van je terug. Mijn vader en moeder zijn nu nabijer dan toen, ik ken ze nu beter. Ik heb boeken geschreven en een Dominicus mede mogen vormgeven: maar ik laat het niet na, het is er nu. Dat ik daar iets in heb mogen bijdragen, dat kan ik niet navertellen, dat stemt je tot dankbaarheid.’

Is reïncarnatie een mogelijkheid voor jou?
‘Persoonlijk geloof ik er niet in. Als ik nadenk over wat mijn vader en moeder voor mij hebben verwezenlijkt: Goed zijn en niet goed zijn, leren spreken, schrijven,
iedere letter die ik schrijf heb ik geleerd. Ik ben een optelsom van wat alle mogelijke mensen in mij hebben gestopt. Ik had geen letter kunnen schrijven zonder anderen.’

Hoe zie je dan jouw originaliteit?
‘Ik ben een optelsom van wat zij aan mij gedaan hebben. Het nieuwe is: dat wat er in mij zit. Alle mensen duren voort in wat ik daarin heb mogen doen. Dat is mijn leven. Voortleven in anderen: dat doe ik al. Ze zijn nu bezig met de vierde druk van Johannes… Als je wat langer mag duren, krijg je wel de neiging en de wetenschap: ik laat een hoop over. Ze zien maar wat ze ermee doen.’

Klopt het als ik je een dankbaar mens noem?
‘Ik heb een verrukkelijk leven gehad. Ik ben, de hemel zij geprezen, behoed voor allerlei conflicten met mijn vader en moeder; bijvoorbeeld de opleiding die ik gehad heb, daar kan ik niet dankbaar genoeg voor zijn. Ook mijn bestaan als Dominicaan, gedropt in de Spuistraat, dat ik er bij betrokken ben geraakt, daar ben ik ongelooflijk dankbaar voor. Niemand die wist wat we moesten doen, dat er toch iets gebeurt. Er zijn mensen die zeggen: Jij hebt toch de Dominicus gesticht. Dat is waanzin. Wij hadden visioenen, maar ik wist absoluut niet, Wim Tepe ook niet, hoe en wat we moesten doen.’

Jan vindt dat de wijze waarop de Dominicus kerk aan het worden is nog steeds intenser wordt. Hij is er heilig van overtuigd dat dit de manier van de kerk van de toekomst is. ‘De kerk hoort horizontaal te zijn, met mensen die elkaar van dienst willen zijn. Dat wij dat als Dominicus proberen te doen, met elkaar met een enorme solidariteit vind ik een wezenlijk iets van wat een kerk is. In mijn hele periode dat ik kaduuk was heb ik zo ontzettend veel steun en lieve woorden te horen gekregen. Die saamhorigheid en solidariteit is iets wat de officiële kerk helemaal mist.
Ik vind dat wij, zonder dat we het wisten, op de goede weg zijn gekomen. Dat moeten we vooral doorzetten. Ik denk dat dat de kerk van de toekomst is. Je ziet overal verschijningsvormen, het is overal bezig! Kijk naar de Salvator in Den Bosch, mensen zeggen dáág.
De kerk van Petrus, de piramide, is vermolmd, er is niets meer van heel. Petrus heeft alijd de tweede plaats, hij snapt niks, weet niks. De piramideachtige kerk met één iemand aan het hoofd, is passé. Het is gemodelleerd op het Romeinse keizerrijk, dat allemaal gestoeld is op macht. Daarom heeft de oosterse kerk zich daar ook vanaf gewend.’

‘Dat ik daar een stapje in mee mag maken: dat de wereld goed wordt…. Die droom moeten we vooral hoog houden. Johannes heeft het ook over dromen. En Desmond Tutu, die dat tegen die studenten zei: dream! Een geweldige man. Ik heb spijt dat de beleidsraad niet heeft gevraagd dat hij bij ons kwam preken… Hij hield die idealen hoog: daar gaat de hele boodschap van de bijbel over. Er is een overkant, en die zee, je kunt er niet alleen doorhéén, je kunt er zelfs op lópen. Het heeft niets te maken met wonderen. Ook niet dat Jezus over het water loopt. Het gaat niet over water, nee. De zee is een analogie van de tegenkrachten, maar het volk komt er doorheen. Als Johannes zijn definitieve visioen schrijft in Openbaring 20 zegt hij dan ook: de zee was niet meer.
Nou, dan hebben we toch even de hele theologie doorgenomen… Je kunt het in één woord zeggen hoor, waar het over gaat: dat het anders kan, dromen. Wie zei het ook alweer? Yes we can, o ja, Obama.’

Heb jij op jouw leeftijd nog een droom of ideaal…?
‘Nee, een ideaal niet. Wel een lijfspreuk van Frans van Waesberghe: Fons, (dat was mijn kloosternaam) je doet wat je kunt. Niet zeggen hoe het moet, maar zeggen: doorzetten. Zelfs over die heup: we komen over het water heen naar de overkant. Een groot leider, Frans van Waesberghe: Die heeft ons in leven gehouden. Kun je het je voorstellen? De ontslagbrief (van Tepe en hem) lag al klaar bij de bisschop, hè!’
‘Het is toch een beetje een terugblik, als je lang mag duren. Je hebt een aantal ontdekkingen gedaan in het leven, dat is iets om te koesteren. De hele neergang van de katholieke kerk, in de vijftiger jaren, dat heb ik aan den lijve mogen meemaken. Mijn geloof in de paus en de roomse kerk raakte aan het wankelen een paar jaar nadat ik weer terug was uit Rome, waar ik ook op privé-audiëntie bij Pius XII was geweest. In de krant las ik dat hij dodelijk ziek was geweest, maar vertelde dat hij een visioen had gehad van Christus in de Vaticaanse tuinen.’

Jan wijst naar zijn hoofd; ‘toen dacht ik voor het eerst: dit kan niet, en toen raakt het hele gebouw voor mij aan het wankelen. Ik ben min of meer toevallig bij Johannes terechtgekomen. In de jaren zeventig hebben we een serie over de synoptici gedaan; het team zei: dat moeten we niet doen, dat is veel te moeilijk. Van Han Renckens S.J. hebben we destijds een herscholing gehad. Toen zijn mij de schellen van de ogen gevallen, en heb ik alles gelezen wat er over Johannes maar te vinden was. Ik ben nu niet alleen maar een adept, maar hopelijk ook een leerling van hem.
Als we elkaar ooit eens zouden mogen zien, dan zou ik naar hem toestappen en vragen ‘hoe heb jij dit geflikt.’ De meeste iconen die hier hangen komen uit Patmos. Ik ben diverse malen bij zijn graf geweest. Historisch is het vrijwel zeker dat hij daar ligt. Van Petrus is niets zeker, of hij onder de Sint Pieter ligt.’

In november vieren we Allerzielen. Hoe kijk jij terug op de mensen die het afgelopen jaar de Dominicus ontvielen?
‘Ze bestaan niet meer op een zintuiglijke manier, maar ze zijn wel op een veel belangrijker manier waarneembaar. Niet alleen herinnerbaar, ze werken nog steeds door in wat ze hebben nagelaten. Ik ben een optelsom van wat honderden mensen aan mij hebben gedaan. Dat woord leven: dat is niet iets biologisch. Leven gaat voortdurend buiten mijn vel uit, daar bestaat je hele bestaan uit. Veel meer dan een vel waar iemand in zit. Ik vind het een moedige daad van die Grieken dat ze dat hebben gezegd: Tijd en dood bestaan niet.’

Wat bestaat er? Ik Ben?
‘Daarom is het een godsnaam: Ik Ben.’

Zou je nog iets willen?
‘O, ik heb mijn wil aan god gegeven, dat weet je.’