foto-links

raamdom-gr

In memoriam Jan Nieuwenhuis (o.p.)

Jan Nieuwenhuis, foto Arjan Broers

Jan Nieuwenhuis, foto Arjan Broers

Zelf geloofde hij niet in de dood. “Een mens is veel meer dan een machine, een lichaam. Ook in Jezus’ eigen einde komt het niet voor. Hij geeft zijn leven, deelt het uit. Die denkwereld is door de Grieken verwoord: de dood bestaat niet.(…) Ik hoop oprecht dat wanneer het echt komt, heel veel mensen in de Dominicus feest gaan vieren en misschien doe ik dan ook wel een beetje mee. Ik geloof ook niet dat ik er bang voor ben. Zou niet weten waar ik bang voor zou moeten zijn.”

In de Dominicusgemeente in Amsterdam is (desalniettemin) verslagen gereageerd op het overlijden van haar pater familias Jan Nieuwenhuis, ere-voorganger en oud-lid van het Liturgisch Team. Jan Nieuwenhuis overleed in de vroege ochtend van 24 augustus in Nijmegen. Hij was priester, pastor, auteur en een van de grondleggers van de oecumenische gemeente. Hij schreef een dissertatie, boeken, preken, gaf leerhuizen en bleef nog ver na zijn tachtigste jaar publiceren. Zijn visie op het priesterschap liep als een rode draad door zijn leven en werk en deed regelmatig veel stof opwaaien.

Jan Herman Maria Nieuwenhuis werd geboren in Amsterdam op 31 januari 1924. Toen hij 17 jaar was, trad hij in Huissen in de Orde van de Dominicanen in, waar hij precies een jaar later in september 1942 de professie aflegde. Tijdens de priesteropleiding van zeven jaar studeerde hij theologie en filosofie.
In 1948 werd hij tot priester gewijd. Door die wijding werd Jan Nieuwenhuis voor zijn omgeving een persoon die ver boven andere mensen verheven was. Destijds was dat vanzelfsprekend, maar hijzelf heeft het idee later ‘godzijdank helemaal verlaten.’ Als hij sprak over de priesterwijding vertelde hij vrijwel altijd het verhaal van zijn tante Annie, de jongste zus van zijn moeder, die als verpleegster hem mede ter wereld had geholpen. ‘Toen ik na de wijding de spreekkamer binnenkwam waar mijn familie zat en iedereen op de knieën zonk om de zegen te ontvangen, riep tante Annie uit: ‘Och god, mijn Jantje!’ Ik was ineens geen Jantje meer, maar tot een andere dimensie overgegaan.’

Na zijn lectoraatsexamen in 1949 zette Jan Nieuwenhuis zijn theologische studies voort aan het Angelicum in Rome. Twee jaar later promoveerde hij op de dissertatie ‘De Kunst van God.’ Teruggekomen uit Rome werd Nieuwenhuis benoemd tot redactiesecretaris van de Bazuin, een progressief katholiek tijdschrift waarin geschreven werd over moderne vormen van geloofsverkondiging. Zijn eigen opvattingen over het priesterschap waren toen al geruime tijd aan het wankelen. De redactie van de Bazuin liet zich inspireren door het Tweede Vaticaans Concilie van 1962-1965. Het tijdschrift had eveneens zijn zetel in Nijmegen.
In 1964 besloten provinciaal Frans van Waesberghe en het concilie dat Jan Nieuwenhuis samen met drie andere dominicanen naar de noodlijdende rooms-katholieke parochie in de Dominicuskerk in Amsterdam moest worden overgeplaatst. Onder leiding van studentenpastor Wim Tepe zetten ze voort wat gebruikelijk was, zoals dagelijks meerdere missen en het bidden van het rozenhoedje.
Het toeval wilde dat de Jezuïet Bernard Huijbers een onderkomen zocht voor zijn koor van jongens van het Ignatius College en meisjes van het Fons Vitae. Wim Tepe, wiens koor was vertrokken omdat het geen Nederlandse liederen wilde uitvoeren, bood Huijbers enthousiast onderdak aan. Met Huijbers kwamen ook de liederen en liturgische vernieuwingen van Huub Oosterhuis de kerk binnen. Al snel werden liturgische gebruiken overboord gezet en nieuwe elementen geïmporteerd. De invoering van ‘meer bijbel’ en minder devotie is achteraf een enorm richtinggevend besluit geweest.
Zo ontstond op organische wijze een opmerkelijk samenwerkingsverband tussen dominicanen en jezuïeten dat veel mensen aantrok.

Als het om de groei en ontwikkeling van de Dominicusgemeente ging, benadrukte Jan Nieuwenhuis altijd dat ze ‘door een hemelse helikopter waren gedropt’ en ‘het allemaal als vanzelf is gegaan’. Besluiten werden democratisch genomen, zoals het voorgaan van vrouwelijke pastores en delen van brood en wijn aan en door alle bezoekers, homo of hetero, rooms-katholiek, protestant of buitenkerkelijk. ‘Het wezen van de eucharistie is dat je jezelf breekt, deelt, uitgeeft, prijsgeeft,’ zei Nieuwenhuis daarover.
Dat kinderen er nog steeds een belangrijke plaats hebben, kan op Nieuwenhuis’ conto worden geschreven. Jarenlang hield hij zich bezig met geloofsoverdracht aan ‘kleine gelovigen’ en voerde hij gesprekken met priesters, ouders en onderwijzers.
In de beginjaren van de huidige Dominicusgemeente werkte hij bij het Bureau Algemene Jeugdzielzorg in Arnhem. In die tijd publiceerde hij het boek Volgend jaar misschien. Geloven tussen twaalf en zeventien jaar. In de jaren zeventig en tachtig verschenen Terwijl de boer slaapt en Twee geloven in een huis over geloofsopvoeding respectievelijk ‘het geloof van de tussengeneratie’. Jan Nieuwenhuis is nog jarenlang pastor voor jongeren op een middelbare school in Amstelveen geweest.

Gefascineerd als hij was door Johannes schreef hij diverse boeken over de apostel. In 2004 verscheen Johannes de Ziener en eerder publiceerde hij al een drieluik over de geschriften van zijn naamgenoot: zijn evangelie, brieven en openbaringen. Sinds Johannes en zijn visie hem hebben gegrepen zijn zij hem altijd blijven inspireren.
In 2007 publiceerde hij met drie medebroeders de brochure Kerk & Ambt over het tekort aan priesters en de lastige celibaatwetdiscussie. Kernstuk van de brochure was dat de gemeente zelf haar voorganger moest kunnen kiezen, mogelijk later te bevestigen door een bisschop. Het resultaat was een berisping door kardinaal Simonis en zelfs kritiek vanuit de Orde der Dominicanen. Volgens Nieuwenhuis had dat laatste te maken met het feit dat de orde zich – onder druk van het Vaticaan – formeel wel moest distantiëren.
De ongenadige kritiek deerde hem niet, mede omdat de auteurs onwaarschijnlijk veel instemming kregen van over de hele wereld. De brochure werd in zeven talen vertaald en was op alle mogelijke internetsites te vinden. Volgens Nieuwenhuis ‘deed de brochure ondergronds haar werk’.

Jan Nieuwenhuis vond dat de wijze waarop de Dominicusgemeente zich heeft ontwikkeld, de manier van kerk-zijn van de toekomst is. Hij was er heilig van overtuigd dat ‘de kerk horizontaal hoort te zijn, met mensen die elkaar van dienst willen zijn. Dat wij dat als Dominicus met elkaar proberen te doen, met elkaar en met een enorme solidariteit, vind ik een wezenlijk iets van wat een kerk is. De piramideachtige kerk met één iemand aan het hoofd, is passé.’

Jan Nieuwenhuis - Dominicus Amsterdam

Foto: Jan Nieuwenhuis houdt in 2009 op de berg Nebo (Jodanië, op de ‘vlakte van Moab’) – waar Mozes volgens Deuteronomium 34 is gestorven – een overweging over Mozes’ dood: ‘aan de mond van God’, in een ‘goddelijke kus’.