foto-links

raamdom-gr

Ger Groot – Het woord klinkt

Over taal en rituelen

Bernard Huijbers, die de muziek schreef van een groot deel van het oudere repertoire van deze kerk, vertelde me ooit hoe de vernieuwing van de volkstaalliturgie werkelijk op gang kwam. Aanvankelijk leek het eenvoudig, zo zei hij. Vaticanum II had de mis in de landstaal toegestaan. Vertalen leek dus het devies: ogenschijnlijk een tamelijk simpele operatie.

Maar het pakte anders uit. Want neem nu het Dies Irae, dat eeuwenlang gezongen werd bij uitvaarten. Wat wordt daarin eigenlijk gezongen? ‘O die dag, die dag der wrake/Zal ’t heelal een ashoop maken,/Zo Sybille en David spraken.//….//Klanken vol van huiveringen/Zullen door het grafveld dringen,/Allen voor Gods zetel dwingen,’ enzovoort.

Daarmee kon je onmogelijk een familie toezingen die nota bene troost verwachtte, aldus Huijbers. Wat in het Gregoriaans nog bedekt bleef onder een sluier van niet-verstaan, werd eenmaal vernederlandst bijna een affront jegens degenen die de overledene hadden liefgehad. In plaats van verzachting kregen ze ‘huiveringen’ aangezegd. Zelfs de Romeinse Ritencongretatie vond dat kennelijk te gortig. Het Dies Irae verdween uit de misorde van het Requiem. Maar daarmee was het probleem dat het had blootgelegd nog niet van tafel.

Want in welke taal spreek je dan wèl tijdens de liturgie? Volkstaal, jazeker – maar dan toch niet de taal van markt of de straat. Ze mag dan uitdrukking gaan geven aan actualiteit, politiek, sociale problematiek en misschien zelfs de sfeer van de intimiteit, maar ze onderscheidt zich daar ook duidelijk van. Alleen wanneer zij een eigen toon krijgt, krijgt ze in een kerk iets te zeggen dat meer is dan een herhaling van wat daarbuiten ook al te horen is.

Dat geldt niet alleen voor de liturgische taal; het geldt ook voor de taal van de Bijbel, waarmee ze nauw verwant is. Dat blijkt al uit het gedicht dat Huub Oosterhuis schrijft nadat op 11 september 1973 Salvador Allende door het opstandige Chileense leger wordt gedood. U zult het vooral van zijn liturgische gebruik kennen – maar van begin tot eind is het van Bijbeltaal doorschoten.

Oosterhuis dicht: Om Salvador Allende / en om zijn broeders rouw ik – / hoe zijn de helden gevallen. Dat zijn passende woorden voor een kerkelijke viering, al betekenen ze strikt genomen precies hetzelfde als wat in die dagen door menigeen ongetwijfeld op ándere plekken werd gezegd: ‘Allende afgeslacht, Jezus! Zwaar klote!’

Maar een liturgie vraagt om een zekere gedragenheid, en dus om afstand van de ál te onmiddellijke taal van de straat. Misschien wel om te beginnen om duidelijk te maken dat er hier iets anders aan de orde is dan wat in de dagelijkse conversatie passeert aan beslommeringen van alledag. Of beter: dat die beslommeringen daarin een andere gedaante krijgen – en dus vragen om een andere taal. Oosterhuis zelf heeft dat ooit ‘de tweede taal’ genoemd: ‘In de ruimte van de tweede taal wordt het tekort van de woorden ervaren. Het meeste kan niet gezegd. [...] Ergens tussen of voorbij de woorden gebeurt het, dat mensen elkaar vinden en verstaan’. (In het voorbijgaan, 244)

De taal opent dus, juist door haar relatieve vreemdheid of afstand, de ruimte die een bijzonder, misschien verdiepter, verstaan mogelijk maakt. Een verstaan van mensen onderling, maar er is meer. Het is ook het verstaan van datgene wat die mensen níet zeggen, maar wat tot uitdrukking wordt gebracht door de woorden zelf die zij gebruiken. Want ieder woord dat uit onze mond komt is al tienvoudig een citaat, zo heeft de Franse filosoof Jacques Derrida uitentreuren benadrukt. We zeggen altijd méér dan we zeggen.

Zo drukt ook Oosterhuis’ Psalm op 11 september 1973 in die eerste regels over Allende méér uit dan alleen zijn droefheid over diens gewelddadige dood. Zij herhalen ook de woorden van David, uit het eerste hoofdstuk van het tweede Bijbelboek Samuel. David rouwt erin om de dood van Saul en vooral diens zoon Jonathan, die hij innig had liefgehad. En hij besluit: ‘Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broeder Jonathan! Gij waart mij zeer liefelijk; uw liefde was mij wonderlijker dan de liefde der vrouwen./ Hoe zijn de helden gevallen…’

Ik citeer met opzet de Statenvertaling, waarvan de bewoording door Oosterhuis onaangeroerd wordt gelaten. Zo weeft zich, door de tijd heen, een snoer waarin het nieuwe (de dood van een geliefd staatsman) wordt opgenomen in het oude (de dood van een geliefde prins) en een betekenis krijgt die het hier-en-nu overstijgt. Het zegt niet alleen: wat nu gebeurt is van alle tijden, maar meer precies: wat nu gebeurt weerspiegelt zich in dit specifieke oude verhaal, dat in zijn strekking hetzelfde belichaamt als wat déze gebeurtenis nu (11 september 1973) te belichamen krijgt – en de belofte die het bevat.

Natuurlijk, om die transformatie te begrijpen moet je verstaan wat in dit gedicht (deze nieuwe psalm) gebeurt, en moet je dus ook het oude verhaal en zijn bewoordingen kennen – zo lijkt het. Want ‘bij sommige verhalen horen speciale zinnen,’ zo schreef de theoloog en journalist Jan Greven tien jaar geleden als reactie op de kort daarvoor verschenen Nieuwe Bijbelvertaling waarin hij dergelijke zinnen was gaan missen (De Bijbel van mijn jeugd, 12). Ze geven aan dat verhaal de specifieke kleur en klank die daarbij hoort, zonder hetwelk het niet langer dit verhaal zou zijn. Wie wel eens voorleest of vertelt aan kleine kinderen weet dat maar al te goed: het verhaal moet steeds opnieuw op precies dezelfde manier worden verteld, met vaste zinswendingen en woordkeus, anders is het ‘niet goed’ en heeft de verhalenverteller het verkorven.

Bijna zou je daarbij het oude katholieke leerstuk van het ex opere operato van stal kunnen halen: het grondbeginsel dat een sacramentele handeling ook onafhankelijk van de private overtuigingen van de priester die haar voltrekt werkzaam is. Woorden werken vanuit zichzelf – en hetzelfde geldt voor gebaren en rituelen. Ze zijn niet afhankelijk van de bedoeling of zelfs de gedachte van wie hen uitspreekt. Ook Jan Greven onderkent dat: ‘We hebben het hier niet over geloof,’ schrijft hij. ‘We hebben het over taal, over literair gevoel, over drama.’ (14)

Ook ik wil het hier niet over geloof hebben. Niet alleen omdat dat maar al te snel klinkt naar dogmatiek, maar vooral omdat het denk-aspect ervan naar mijn overtuiging schromelijk wordt overschat wanneer het over godsdienst gaat. Wat mensen vinden van van alles en nog wat is ongetwijfeld heel belangrijk, maar datgene waarin de godsdienst werkelijk wordt (de kerkgang, de liturgie, en het leven van de heilige boeken) betreft veel meer de vraag wat datgene wat er gebeurt met mensen doet. Hoe zij de ‘tweede taal’ leren horen die hen duidelijk maakt dat er méér is dan alleen de eerste. Hoe, nog voordat een woord een inhoud gekregen heeft, het register van de taal die dimensie al zicht- en hoorbaar maakt.

Is het daarom wel waar wat ik zojuist zei: dat je, om de verdiepte betekenis van Oosterhuis’ Psalm te verstaan, ook de ‘eerste woorden’ uit 2 Samuel moet kennen? Bij nader inzien blijkt dat helemaal niet zo zeker. Natuurlijk, die kennis helpt een stuk – maar ze is niet nodig om direct aan te voelen: hier zeggen de woorden iets meer dan hun eerste betekenis, hier worden ze ‘tweede taal’. Ongetwijfeld zal de betekenis daarvan vooralsnog grotendeels in raadsels gewikkeld blijven – maar dat is niet erg. We hoeven niet alles te begrijpen om in te zien … dát we niet alles begrijpen. En dat laatste is misschien wel het wezen van de godsdienst zelf.

‘Echt’, zo zegt het wijze kind in mij, wordt ook het Bijbelverhaal pas wanneer zich erin het raadselachtige en overweldigende uitspreekt dat mijn bevattingsvermogen overstijgt. Zoals de ervaring eindelijk een plaats, een thuis, een rechtvaardiging, een troost te hebben gevonden waarvoor misschien wel eigenlijk geen reden is en die dan ook strikt genomen tamelijk absurd is: de troost die in de woorden van het Dies Irae zo node was gaan ontbreken toen zij te begrijpelijk werden.

Dat geldt voor de liturgie dus net zozeer als voor de Bijbeltaal. Ook de liturgie baadt in een vreemd vocabulaire dat alleen in haar op zijn plaats is – en waar ze van haar kant niet buiten kan. Het woord werkt er, nog voordat het verwijst. Het klinkt nog voordat het iets betekent of concrete aanwijzingen geeft – en in dat klinken resoneert zijn eigen betekenis die er in de eerste plaats in bestaat dat we haar niet doorgronden.

Het woord in deze ‘tweede taal’ bezweert de eerste, schort het op in zijn onmiddellijkheid en de bruikbaarheid die aan één woord genoeg heeft. Misschien wel in de eerste plaats omdat woorden, zinnen en formules in de liturgie voortdurend herhaald worden: strikt genomen een onzinnige operatie. Want waarom zou je steeds opnieuw hetzelfde verhaal vertellen, hetzelfde Onzevader bidden – als we, naar de normale regels van het taalgebruik, immers al weten wat er gezegd is zodra het één keer is gezegd?
Juist in haar rituele herhaling doorbreekt de tweede taal de eerste doordat zij daarvan iets ‘absurds’ maakt, en daarmee duidelijk wordt dat we (anders dan in de taal van alledag) niet (of niet helemaal) weten wat er gezegd wordt. Pas dan toont zich het mysterie, of beter gezegd: transformeert het bestaan zelf zich tot een mysterie waarin zich iets ongehoords vermoeden laat.

Wat geldt voor de taal geldt ook voor het gebaar. Wanneer het wordt losgemaakt uit zijn directe nut en efficiëntie gebeurt er iets mee. Ook het ritueel spreekt in dat opzicht een ‘tweede taal’ en laat dat in de eerste plaats zien door de herhaling waarin het zich uit het alledaagse, doelgerichte handelen losmaakt. Het krijgt een eigen zeggingskracht, bevrijd van zijn directe doelgerichtheid en van iedere evidente inhoud.

Het ritueel werkt omdat het wordt voltrokken en bestaat in de eerste plaats in zijn eigen regelmatige terugkeer. Het is, in zekere zin, zijn eigen thuis – en schept daarin voor degenen die eraan deelnemen een orde en een ‘thuis’ waarin het bestaan zelf betekenisvol wordt. Wát het precies betekent mag nog zwevende blijven, maar het ritme van de terugkeer en de herkenning van steeds-hetzelfde schept een sfeer van vertrouwdheid waarin een problematische of zelfs vijandige wereld wordt omgevormd tot iets waarin mensen zich opnieuw welkom mogen durven voelen.

Dat heeft, net als wat Jan Greven zei over de ankerwoorden van de Bijbelse vertellingen, niet zo veel met (inhoudelijk) geloof te doen. Het bereidt eerder het terrein voor waarop iets zichtbaar kan worden dat je vervolgens als een inzicht of overtuiging kunt uitspreken: variërend van ‘ja, het leven is goed’ tot ‘God houdt van mij’ of zelfs ‘Hij bestaat’. Zo ver hoeft het niet te komen, en het ritueel heeft die overtuging niet nodig om te worden voltrokken. Het gaat eraan vooraf en schept er de voorwaarden voor. Het werkt zelf. Bijna zou je opnieuw denken aan het ex opere operato.

Daarom zegt het ritueel nog niet zoveel: het spreekt geen waarheden uit en er zijn dus ook geen voorwaarden van overtuiging of belijdenis waaraan de deelnemers zouden moeten voldoen. Het is pure materialiteit: handelingen, gebaren, woorden die gezegd en (misschien nog wel belangrijker) gezongen worden. Dat alles gaat door het lichaam van de deelnemers heen, en daar mag de geest best achteraan hobbelen. In de herhaling ontstaat herkenning, een patroon van orde, een verwachting en daardoor langzamerhand een fiducie die leidt tot vertrouwen en thuiskomst. En misschien daarna ook nog tot iets wat wij ‘geloof’ noemen in intellectuele, dogmatische zin – maar dat hoeft niet en is in mijn ogen ook niet zo belangrijk.

Belangrijk is wat er materiëel gebeurt. Dát grijpt mensen aan: in hun lichaam, zoals ik zojuist zei. Daarin is zelfs het woord niet meer in de eerste plaats een mentale zaak (een verwijzing naar betekenis) maar is het zelf een gebaar en gebeurtenis geworden: een ademtocht, een klank, een resonantie in de borstkas. Niet wat er in het ritueel gezegd wordt is in de eerste plaats van belang, maar het feit dat er iets gezegd wordt. Het feit dat de stilte wordt doorbroken, al is het met geleende woorden.

Misschien ervaren we dat vooral wanneer de eigen woorden (die wij onder de naam van ‘authenticiteit’ als moderne mensen zo hoog zijn gaan achten) ons zijn gaan ontbreken – bijvoorbeeld omdat het mysterie of de ontsteltenis te groot is. Nooit doet dat gebrek aan ‘eigen’ woorden zich pijnlijker gevoelen dan bij de confrontatie met de dood. Er moet gesproken worden, maar alles wat wíj zouden willen zeggen schiet te kort en stokt in de keel. Maar dan zijn er de geleende, want rituele woorden van het Libera me of het Niemand leeft voor zichzelf – dat óók een ‘niemand spreekt voor zichzelf’ is.

Het woord klinkt, en bewerkt door zijn loutere verklinken wonderen – nog voordat een geloof in wonderen vereist is. Het gebaar stelt zich en troost. Nog voordat een geloof in de letterlijke verwijzing daarvan nodig is, is de troost op dat moment iets werkelijks. Dat is wat liturgie en wat het ritueel doet. Het is het oerbegin van de waar ik het eerder over had – en pas daarna kunnen het doctrinaire scherpslijpen, het ethische appel, de profetische oproep, de politiek of de maatschappijkritiek hun rechten opeisen. Ik ontzeg hun die rechten niet. Maar ze vormen niet het wonder dat het (liturgische) ritueel. Ze zouden zelf zónder dat laatste niets, of een ieder geval veel mínder zijn wat ze daardoor kunnen worden.

Liturgische taal moet zich daarom niet al te veel zorgen maken om haar begrijpelijkheid en assimileerbaarheid. Ze moet het natuurlijk niet te bont maken in obscurantisme. Maar ook voor wie niet haar traditie kent krijgt ze áls liturgische of religieuze taal pas relevantie (wordt ze pas interessant) wanneer ze afstand neemt van de doorzichtigheid en de handzaamheid van ht alledaagse. Daarin wordt ze al snel té gemeenzaam met wat zich elders nu juist toont in zijn banaliteit.

Liturgische taal – die van het woord èn van het gebaar, de rite – moet zich over haar vreemdheid niet al te ongemakkelijk voelen. Ze moet die integendeel – zij het binnen zekere grenzen – blijven koesteren, opdat de vreemde oerkracht van de herhaling van haar gebaren en woorden (die in hun uitspreken niets – of nog niets – zèggen) een onverschillig universum kan blijven transformeren in een kosmos die de mens het bedje spreidt van een thuis, of althans een begin daarvan.

Het was, als mijn geheugen me niet in de steek laat, in deze kerk dat ik een aantal jaren geleden een uitvaartmis bijwoonde, volgens de liturgische gebruiken die zich hier gevestigd hebben. Tot aan het einde van de plechtigheid. De kist werd langzaam de kerk uitgereden – en het koor zong: In Paradisum – in het Latijn. Het was misschien wel het meest aangrijpende moment van de uitvaart.

Uitgesproken tijdens de feestelijke jubileumconferentie van de Dominicus.

Marjolijn van Heemstra – Het onzegbare zeggen
Janneke Stegeman – De rafelranden van de liturgie: over schurende woorden en dwaaltaal
Ad de Keyzer – Verborgen laten en doen oplichten